maandag 24 juni 2013

Ontvoerd door vrienden (een interview)

“Meneer Bintsteker, bedankt dat u ons wilde ontvangen. U bent ontvoerd, klopt dit?”
“Dat klopt. Door mijn vrienden. Ze hebben zich verkleed als aliens en allerlei experimenten met mij uitgehaald. Ik heb het contact daarom verbroken.”
“Hoe weet u dat het uw vrienden waren, en niet echte aliens?”
“Aliens bestaan niet, daar ben ik heilig van overtuigd.”
“Oké. Maar kan het ook niet een hallucinatie geweest zijn, of een droom?”
“Nee. Ze hebben in me zitten snijden, zonder verdoving. Het was verschrikkelijk. Daarom heb ik het contact verbroken. Een geintje is leuk, maar je kunt ook te ver gaan.”
“Oké. Kunt u tot in detail beschrijven wat er precies gebeurd is?”
“Ik zal het proberen. Ik was op vakantie in Thailand. Terwijl ik een nachtelijke wandeling maakte zag ik opeens een UFO landen. Het was een zilveren, afgeplatte bol, zoals je ze vaak in films ziet. Toen wist ik al dat ik genept werd. Vervolgens lag ik van het ene op het andere moment verlamd op een tafel. Om me heen stonden vier grijze wezens met grote zwarte ogen. Ik wist toen al dat het mijn vrienden Karel, Bert, Vincent en Lodewijk waren. Die zijn altijd met zijn vieren. Ik zei: ‘Jongens, doe jullie maskers maar af, ik weet dat jullie het zijn.’ Maar daar reageerden ze niet op. Ze spraken met elkaar in een zelfverzonnen taaltje. Ik voelde me best vereerd dat ze zoveel moeite voor me hadden gedaan, totdat eentje, waarschijnlijk Bert, een scalpel pakte en in mijn been begon te snijden. Ik schreeuwde het uit van de pijn, maar ze gingen gewoon door. Een paar uur lang zelfs. Daarom heb ik het contact verbroken.”
“Wat gebeurde er daarna?”
“Ik raakte bewusteloos, en ontwaakte op de plek waar ze me hebben opgepikt.”
“En uw been, hoe was het daar mee?”
“Die was helemaal in orde, alsof er nooit in gesneden was. Ik voelde ook totaal geen pijn meer. Hoe ze dat voor elkaar gekregen hebben weet ik niet. Ik weet wel dat Bert HBO heeft gedaan. Die jongen moet je niet onderschatten.”
“Is het nooit in u opgekomen dat u alles gedroomd heeft?”
“Nee. Dan was ik wel wakker geworden toen ze in me zaten te snijden.”
“Goed. Stel dat uw vrienden hier verantwoordelijk voor zijn, waarom zouden ze zoiets doen?”
“We halen wel vaker grappen met elkaar uit. Ik heb Berts vriendin een keer verteld dat hij in zijn bed plast. Maar zoals hij me nu heeft teruggepakt is buiten proportie. En dan nog wel helemaal in Thailand. Hoeveel moet dat wel niet gekost hebben? Maar het flauwste vind ik nog dat ze niet willen toegeven dat zij het waren.”
“Misschien moet u het ze toch maar vergeven.”
“Daar is de wond nu nog te vers voor. Misschien over een paar maanden.”

[Uit de serie: Interviews.]

zaterdag 2 februari 2013

How I Kured My Dizlexya (blog)

By Spike Mallard

Inn dis artikel I em goin two eksplayn howe I kured my dilsexya, so dead u kan kure yores, too.

At thirst, I fought mye dizleyxia koultnt be kured. Butt den I wenned too churtch, wear dey tolt me ded fo God, noffing is impossebel. So I prayt a lot, bud it dint help ded much.

So I met Jak Coupher in a barr. He tolled me two kik meselve in da head offen. Bud id waz diffeculd and dint help eather.

Than I med Lucy on da streat. She sed I can kure you fo onli 50 bucks. She took mea two her haus, and Holy Cows, shea kured me!

Koncluding, wif a liddle pursevearens and luk, u kan proberbly kure yor dislsexya, too. 

Good luck!

woensdag 19 december 2012

A Positive Suicide Note

Dear, wonderful world, 

my life on this planet has been great. I've been blessed with a great family and wonderful friends and colleagues, who supported me all the way. I will surely miss you when I'm dead. 

I hereby appoint Jason Calderwood, my loyal and gifted colleague, to be the new President of The Positive Thinking Corporation. Jason, may you have an at least as wonderful time as I had managing this corporation. I have absolute faith in you. I'm sure you will not mourn my death, as you are at least as positively inclined as I am. Both you and I know I'm in an at least as wonderful place now as I was here on this Earth. Keep up the good work! STAY POSITIVE! 

Thanks everybody, and goodbye! 


Your dear friend, and colleague, 

Jacob Lovejoy 
Former President of the Positive Thinking Corporation.

maandag 2 januari 2012

De terugkeer van de Taffeltapper (verhaal)

1

Dit verhaal begint op Sinterklaasavond, in een dorpje vlakbij Zwolle, genaamd Klikduin. Een vrij obscuur dorpje, maar het bestaat echt (raadpleeg de Bosatlas er maar op na). Buiten woedde een winterstorm. Een schimmige gestalte strompelde met een pakket onder zijn arm over de Gordeldierkade. Bij nummer 24 belde hij aan. Margreet Zommers deed open.
“Goedenavond,” zei de man. “Ik heb een pakketje voor u.” Hij reikte de doos aan.
Margreet nam de doos in ontvangst en bedankte de man. Ze sloot de deur en liep naar de woonkamer. “Piet,” zei ze, “we hebben een pakketje gekregen!”
Piet keek op van zijn krant. “Een pakketje? Op dit uur van de dag? Wat zit erin?”
“Dat weet ik niet,” antwoordde Margreet. Ze zette het pakketje op de eettafel en pakte een schaar. Voorzichtig opende ze de bovenkant van de doos, terwijl langzaamaan gehuil hoorbaar werd.
“Wat zullen we nou krijgen?” zei Piet, stond op, en liep naar de eettafel.
In de doos zat een baby. “Het is een kind!” riep Margreet. “Eindelijk hebben we een kind!”
“Staat er een afzender bij?” vroeg Piet, en keek in de doos. Die was verder leeg.
“Nee,” zei Margreet. “Maar van wie anders kan het zijn dan van Sinterklaas? Ik heb hem immers om een baby gevraagd.” Ze nam de baby in haar armen en wiegde ermee.
“Maar,” zei Piet, “dat kan toch zomaar niet? Wie weet is het kind van iemand anders. We kunnen toch niet zomaar...”
“Waarom niet? Ons adres staat op de doos. Dus is het voor ons. Zo simpel is het.”
Piet bekeek de doos. “Dat is waar. Hoe zullen we het noemen?”
“Wat dacht je van Nico? Het is immers Sinterklaasavond?”
“Nico is een prima naam. Maar Piet zou beter zijn. Ik ben zelf erg tevreden over die naam.”
Margreet schudde haar hoofd. “Dat zou teveel verwarring geven. Wat dacht je van Pieter?”
“Pieter... Hmm. Helemaal niet slecht. De overtreffende trap van Piet. Vooruit dan maar.”
“Pardon,” zei een stem, “maar mijn naam is Goldix.”
Piet en Margreet keken verschrikt om zich heen. Er was verder niemand in de kamer. “Hoorde jij dat ook?” vroeg Margreet angstig.
Piet knikte.
“Wees maar niet bang,” zei de stem. “Ik ben het. De baby.”
Het paar keek verschrikt naar het hummeltje, dat hen sereen aankeek.
“Kun jij praten?” vroeg Piet.
“Ja, ik kan praten,” zei het hummeltje.
Margreet viel achterover op de grond.
“Margreet!” riep Piet, en voelde aan haar pols. Even later kwam ze weer bij. “Het moet weg, Piet, het moet weg!” riep ze panisch.
“Rustig maar,” suste Piet. “Hier is vast een verklaring voor.” Hij wendde zich tot de baby. “Wie of wat ben jij in hemelsnaam?”
“Zoals ik al zei, ik ben Goldix. Ik kom van de planeet Taffeltap. Ik ben per ongeluk in een mensenlichaam gereïncarneerd.”
Margreet krijste en viel weer flauw.
“Doet ze dit wel vaker?” vroeg Goldix geërgerd.
Piet knikte. “Ze heeft zwakke zenuwen. Hoe komt het dat jij kunt praten?”
“Dat heb ik geleerd in een vorig leven.”
“Dat is hoogst... merkwaardig.”
“Misschien. Mijn oorspronkelijke ouders vonden het ook merkwaardig. Daarom hebben ze me bij jullie bezorgd. Ik hoop dat jullie mij niet zullen verstoten.”
“Natuurlijk niet,” zei Piet.
Margreet kwam weer bij haar positieven. Ze was nu iets rustiger. “Ben jij een demoon?” vroeg ze angstig aan Goldix.
“Nee. Jullie hoeven niet bang te zijn voor mij. Ik zal jullie niets doen. Ik kán jullie ook niets doen, want ik ben nog maar een baby.”
“Maar hoe komt het dan dat jij al kunt praten?” vroeg Margreet.
Goldix zuchtte. “Wij Taffeltappers reïncarneren zonder te vergeten wie we geweest zijn. Zo weet ik bijvoorbeeld alles nog van mijn vorige vijfduizendenzeshonderdenzestien levens. Zo simpel is het.”
“Kun je dan ook onze gedachten lezen?” vroeg Margreet.
“Ja,” zei Goldix. “Maar dat doe ik niet. Ik zou gek worden.”
Piet en Margreet keken elkaar aan. “Wat wil je dat we doen?” vroeg Piet aan Goldix.
“Ik zou graag terugkeren naar Taffeltap,” zei Goldix. “Een ruimtetaxi bellen die mij naar Taffeltap kan brengen. De kans dat het lukt is klein, maar het valt te proberen. Waar is jullie telefoon?”
“Maar dan ga je ons dus verlaten?” vroeg Margreet verdrietig.
“Welnee. Jullie moeten mij immers dragen.”
“Hoor je dat, Piet? We gaan een ruimtereis maken!”
“Niet te vroeg gejuicht,” zei Goldix. “Probeer eerst maar eens de taxicentrale te bereiken.”
Margreet liep naar de telefoon. “Welk nummer moet ik bellen?”
Goldix lepelde het nummer op.
Margreet toetste het nummer in en wachtte. Ze hoorde een hoop gekraak, gevolgd door een pieptoon. “Goedemorgen, goedemiddag, goedenavond, met Tito’s Taxicentrale, wat kan ik voor u doen?”
“Dag, eh... meneer, u spreekt met Margreet Zommers. Wij willen graag een taxi bestellen naar Taffeltap.”
“Waarvandaan belt u?”
“Eh... de Aarde.”
“Welk adres?”
Margreet gaf het adres op.
“We zijn er binnen een half uur.” De man hing op.
“Het is gelukt,” zei Margreet.
“Mooi,” zei Goldix. “En nu gaan pakken als een gek.”

2

Een uur later zat het drietal in een ruimteschip ter grootte van een auto, dat werd bestuurd door de boordcomputer.
“Bestemming bereikt,” zei de boordcomputer opeens.
De Zommers keken naar buiten. Er was niets te zien.
“Boordcomputer,” zei Goldix, “waar is de planeet Taffeltap?”
“Ik zou het niet weten,” zei de boordcomputer. “Maar het zou hier moeten zijn. Kan ik u ergens anders heen brengen?”
“Wij willen weten waar Taffeltap is gebleven. Wat raadt u ons aan?”
“Ik kan jullie naar het Bureau voor Vermiste Planeten brengen.”
“Doe dat maar,” zei Goldix. Hij vond het maar niets dat zijn thuisplaneet verdwenen was. Het zou toch niet vernietigd zijn? Tijd genoeg om daar achter te komen.

Het Bureau voor Vermiste Planeten is opgericht om mensen te helpen die hun thuisplaneet niet meer kunnen vinden. Het wil nog wel eens voorkomen dat een planeet, of althans haar bevolking, zichzelf opblaast. Bewoners die op dat moment elders waren kunnen hierdoor voor een verrassing komen te staan als ze naar hun thuisplaneet terugkeren. Het gebeurt ook wel dat een planeet door een scheur in de ruimte beweegt, en daardoor in een ander universum terechtkomt. Eigenlijk zijn de mogelijkheden waarop een planeet kan verdwijnen eindeloos. Goldix wilde wel eens weten wat er met zíjn thuisplaneet was gebeurd. Hij liep door de hal van het Bureau, dat was ingericht door een interieurverzorger die gefascineerd was door glas. De vloer en de muren waren van glas, evenals de balie van de receptie, waar Goldix en zijn pleegouders zich meldden. “Wij zijn op zoek naar de planeet Taffeltap,” zei Goldix.
De receptioniste, een vrouw van middelbare leeftijd met krulspelden in haar haar, voerde de naam in in de computer. “Naam?”
“Goldix Galsteen.”
“Ah, meneer Galsteen. Uw thuisplaneet is verhuisd.”
“Waar naartoe?”
“Dat kan ik u helaas niet zeggen. U bent namelijk de reden van de verhuizing.”
“De reden?” Goldix fronste zijn wenkbrauwen.
“Ja. Een opmerking van u is in het verkeerde keelgat geschoten bij uw soortgenoten. U weet hoe dat gaat, Taffeltappers zijn erg gevoelig.”
“Maar... Dat kan toch zomaar niet?”
“Jawel. Er is een referendum gehouden over de verhuizing, en op een enkeling na stemde iedereen voor.”
“Wie heeft de verhuizing uitgevoerd?”
“Dat is geheim.”
“Kunt u niet de Oppertapper bellen en zeggen dat het me spijt?” Goldix was ten einde raad. “Ik moet koste wat kost naar Taffeltap terugkeren.”
Margeet wendde zich tot de receptioniste. “Zie je niet dat het menens is? Is er niets dat je kunt doen voor ons?”
De vrouw schudde haar hoofd.
“Een ogenblikje,” zei Margreet, en verwijderde zich van de balie. “Goldix, kun je niet haar gedachten lezen?”
“Maar nee,” zei Goldix, “ik zou gek worden.”
“Ja, maar je zou wel weten waar je thuisplaneet is.”
“Wat heb ik daaraan als ik krankzinnig ben?”
“Dat weet ik ook niet,” zei Margreet.
Piet mengde zich in het gesprek. “De gegevens over de nieuwe locatie staan hier in de computer. We hoeven alleen maar in te breken.”
Goldix schudde zijn hoofd. “Geen bedriegerij. Daar pas ik voor. Ik heb al een ander idee. Wij Taffeltappers hebben een zeer pregnante lichaamsgeur.”
“Daar heb ik anders niets van gemerkt,” zei Margreet.
“Dat komt doordat ik in een mensenlichaam zit,” zei Goldix. “Hoe het ook zij, we hoeven alleen maar iemand met een zeer ontwikkeld reukorgaan te vinden, die ons naar Taffeltap kan leiden.”
“Wie zou dat kunnen zijn?” vroeg Margreet.
“Teun de Neus,” zei Piet resoluut.
De andere twee keken hem stomverbaasd aan.
“Teun’s neus is echt gigantisch,” ging Piet door. “Hij belde mij een keer vanuit Amerika, en toen vroeg hij of ik zat te roken. Dat was niet het geval. Later, toen ik boodschappen ging doen, bleek er bij mij op de stoep een smeulende sigaret te liggen. Teun had dat helemaal vanuit Amerika geroken!”
“Dat klinkt als de man die we moeten hebben,” zei Goldix. “Waar kunnen we hem vinden?”
“Dat weet ik niet,” zei Piet. “Hij is aan lager wal geraakt en gaan zwerven.”
“Mooi is dat,” zei Goldix.
“Er is trouwens nog een ander probleem,” zei Margreet. “Hoe kan Teun weten hoe een Taffeltapper ruikt?”
“Simpel,” zei Goldix. “We zullen een door een Taffeltapper gedragen kledingstuk op de kop moeten tikken. Maar dat is van later zorg. Eerst moeten we die Teun zien te vinden. Hebben jullie een foto van hem?”
“Nee,” zei Piet. “Maar het kan bijna niet missen. Hij heeft een gigantische neus. Echt waar, als hij verkouden is loopt zijn huis onder. Hij gebruikt tafelkleden als zakdoek. Hij -”
“Ik begrijp het, hij heeft een grote neus,” zei Goldix. “Terug naar de Aarde dan.”
Het drietal liep terug naar de ruimtetaxi die buiten stond te wachten en keerde daarmee terug naar de Aarde.

3

Onze helden vonden Teun de Neus onder een brug in Zwolle. Zijn neus was als een skipiste op een kleine berg. Een voorhoofd had hij niet, aangezien zijn neus begon bij zijn haargrens. Vervolgens liep de neus door tot onder zijn kin. Het was dan ook geen wonder dat Teun was afgegleden naar de zelfkant van de maatschappij. In zijn hand had hij een half gevulde whiskyfles. Hij lalde een zelfverzonnen lied, onderwijl kuchend en een drankkegel verspreidend die het onkruid tussen de tegels deed verwelken. “Welkom, vrienden,” zei hij tegen zijn bezoekers. “Ga zitten en neem een neut.”
Piet hurkte neer voor de man. “Teun, ken je me nog? Ik ben het, Piet Zommers.”
“Piet, ouwe rocker! Hoe staat het ermee?”
“Goed,” zei Piet. “Luister, Teun, we hebben je hulp nodig.” Hij vertelde de gebeurtenissen van de afgelopen tijd. “Kunnen we op je rekenen?” vroeg hij tenslotte.
“Maar natuurlijk! Ik heb altijd al geloofd dat er buitenaards leven is. Altijd al geloofd, ik zweer het je. Ik ben je man!”
“Mooi,” zei Piet. Ze namen Teun mee naar hun huis in Klikduin en deden hem in bad. Vervolgens trokken ze hem kleren aan van Piet, die hem als gegoten zaten.
Terwijl ze koffie zaten te drinken beraamde het kwartet zich op de volgende stap. “Waar halen we een door een Taffeltapper gedragen kledingstuk vandaan?” vroeg Margreet.
Goldix dacht na. “Het Intergalactisch Rugbymuseum,” zei hij tenslotte. “Daar hangt, als ik me niet vergis, het rugbyshirt van Wodan Ladki, waarin hij in 1964 het winnende doelpunt scoorde dat Taffeltap de wereldcup bezorgde. Dat is bij mijn weten nooit gewassen.”
Margreet belde weer een ruimtetaxi, die hen naar het Intergalactisch Rugbymuseum bracht.

Het viertal stond bij de vitrine waarin het rugbyshirt tentoongesteld werd. Teun drukte zijn neus tegen een kier van de vitrine, terwijl een bewaker hem wantrouwig gadesloeg.
“Kun je iets ruiken?” vroeg Goldix.
“Ja, ik ruik een zeer pregnante geur. Bedorven uien, vermengd met knoflook, zure melk en zweetsokken.”
“Dat is het!” riep Goldix. “Die geur moeten we hebben. Kun je die geur onthouden?”
“Deze geur vergeet ik nooit meer,” zei Teun.
“Mooi zo,” zei Goldix. “Kom, dan gaan we op zoek naar mijn thuisplaneet.”
Ze verlieten het museum en keerden terug naar de ruimtetaxi, die nog steeds op hen stond te wachten. Teun gaf de boordcomputer, aan de hand van wat zijn neus hem ingaf, instructies betreffende de richting die hij op moest vliegen. Op een gegeven moment naderden ze een gele planeet.
“Dat is Taffeltap!” riep Goldix verheugd.
Op het scherm van de ruimtetaxi verscheen de Oppertapper. “Welkom in het Taffeltap-stelsel. Met wie heb ik het genoegen?”
“Goldix Galsteen, en een aantal vrienden van mij.”
“Galsteen,” zei de Oppertapper met veel antipathie. “Je hebt ons gevonden. Helaas ben je hier niet welkom. Ga weg.”
“Maar ik heb alle recht om hier te zijn,” zei Goldix. “Ik ben één van jullie.”
“Niet meer. Maak dat je wegkomt of ik stuur kernraketten op je af.”
“Maar wat is dan precies het probleem?” vroeg Goldix. “Heb ik iets verkeerds gedaan?”
“Ja,” zei de Oppertapper. “Je hebt me uitgelachen toen ik als ballerina voor de tv verscheen.”
Goldix kon zich dat moment nog herinneren. De Oppertapper was het zat geweest om altijd maar de verstandige burgervader te spelen en had een van zijn toespraken als dansende ballerina uitgevoerd. Goldix had het vanuit een café gadegeslagen. Hij was de enige geweest die om de situatie had moeten lachen.
“Het spijt me,” zei Goldix. “Het was kinderachtig en kwetsend van mij. Ik zal het nooit meer doen.”
“Beloofd?” vroeg de Oppertapper.
“Beloofd,” zei Goldix.
“Oké,” zei de Oppertapper. “Kom maar snel naar mijn kantoor, we hebben een hoop te bepraten. Neem je vrienden ook mee.”
“Oké,” zei Goldix.
De ruimtetaxi landde op de planeet, waar het viertal een gouden toekomst wachtte.

THE END

zondag 10 april 2011

Leesfragment 'Soap' (detectivenovelle)

1

Luc Lepart, de Zoetermeerse rechercheur, lag te woelen in zijn bed. Plotseling ging de telefoon. Luc nam op.
“Goedemorgen. Met commissaris Van der Brom. Frans Schurkman is dood. Je weet wel, de beroemde politicus van Welvarend Nederland.”
Luc kende hem wel. Hij was veel in het nieuws geweest omdat hij de gedoodverfde opvolger was van de huidige politiek leider van Welvarend Nederland, Tom Kwantuil, die na de komende verkiezingen van plan was af te treden. “Ik weet wie je bedoelt,” zei Luc dan ook.
“Mooi. Hij is neergeschoten. Sjaak is al naar de plaats delict.”
“Sjaak? Welke Sjaak?” vroeg Luc.
“Sjaak van Henegouwen, de man van het forensisch team.”
“Ah. Die Sjaak.”
“Het adres is: Geleilaan 26. Vergeet Deborah niet te bellen. Succes.”
“Dank je,” zei Luc. Hij toetste het nummer van zijn collega in op zijn mobiel. Een slaperige vrouwenstem zei: “Met Deborah Waaskant.”
“Dag Deborah,” zei Luc. “Je spreekt met Luc Lepart, je partner in het recherchewerk. Er is een moord gepleegd. Wij tweeën moeten die moord onderzoeken.”
Deborah gilde van opwinding. “Echt waar? Is er echt een moord gepleegd? Of is het zelfmoord?”
“Dat kan ik van hier niet zien. We zullen de plaats delict moeten onderzoeken. Ik kom je over een kwartier ophalen. Waar woon je ook alweer?”
“Mosselstraat 13.”
“Ach ja. In de wijk Palensteyn. Niet zo’n beste wijk voor een vrouw als jij. Maar daar hebben we het later nog wel over. Zorg je dat je voor de ingang van de flat klaar staat?”
“Jazeker,” zei Deborah. “Eindelijk een echte moord. Ik kan mijn oren niet geloven. Ik dacht even dat ik tijdens mijn stage geen moord zou gaan meemaken, maar dat is dus gelukkig niet zo. Mijn vrienden zullen jaloers zijn. Kun je ook over een half uur komen? Ik heb meer tijd nodig dan een kwartier om me aan te kleden en te ontbijten. Ik hoop dat je daar begrip voor hebt.”
“En het lijk dan? Dat ligt maar dood te bloeden.”
“Alsjeblieft?”
“Goed dan. Tot over een half uur.” Luc hing op. Hij liep naar de eettafel, pakte de medicijndoos en nam zijn medicijnen in (Luc slikte antipsychotica en antidepressiva, omdat hij in het verleden ietwat achterdochtig was geweest, en last had van depressies). Hij liep naar de hal, trok zijn jas aan en stapte in zijn auto, een Fiat Panda. Hij had daarvóór in een Mazda Avensis gereden, maar die had hij total loss gereden door tegen een boom te botsen. Dat kwam doordat hij te druk bezig was geweest de auto achter hem in de gaten te houden. Deze leek hem te achtervolgen, en dat vertrouwde Luc niet.

(c) 2011 Rogier van der Tholen.